Binnenkort zal ik een nieuwe web-log openen.  Het is hier mooi geweest, maar het is tijd voor wat meer anonimiteit. Zoekt, en gij zult wellicht vinden.

Liefs,

Fleur

30 June 2006
By on 22:35

Ik heb een chronisch woonprobleem, vrees ik. Naast de ruzie over nieuwe afwas in Lauri’s afwasteil, terwijl ze nxe9t xe1lles had afgewassen, de overgeslagen schoonmaakbeurten door Wayne en Timo en de daaropvolgende brieven van ons allen, gespijkerd aan een kastdeur in de keuken, hebben we iets nieuws: wasmand verslepen. Ik houd niet van die onzin door middel van briefjes in zo’n furieus handschrift, geschreven met het potloodje dat op twee punaises, bevestigd aan diezelfde kastdeur, rust. Dat dit niet kan, en dat niet, en onmiddelijke oproepen tot huisvergaderingen. Die dan op niets uit lopen. We eindigen met negerzoenen en de vraag wanneer we een huisweekend plannen.

Maar dan dit. Ik was nog net niet tot de confrontatie gekomen dat ik weer een buurman heb die absoluut niet vies is van een stevige partij matras-wroeten, en dus is er geluidsoverlast van zijn kant. Het had me heerlijk geleken om daar eens een klachtenbrief over te schrijven, al zou ik het nooit doen. Humor, juist, het heeft zo’n apart effect. De muur is zo dun dat het lijkt alsof-ie het op mijn bank doet. Daar had ik een mooie wedstrijd van kunnen maken. Mijn overige huisgenoten hebben het echter beschaafd opgelost: ze zetten de tv harder als ze Luuk horen. Als Luuk dat begrijpt, dan buigt-ie wat minder verder door, vandaar altijd een klein, vrouwelijk kreetje: hij tilt haar vast altijd even op om zijn massa te verkleinen en de vering stil te houden.  Dat is het teken dat de hint is begrepen. Get the picture kan zachter, geronk volgt na een kwartier, en verder is iedereen klaar wakker. Wij willen nu ook. Bedankt, Luuk.

Tot daar aan toe. Vandaag brak mijn klomp. Eigenlijk gisteren al, maar ik bedacht me dat ik het vast niet goed gezien had. Woensdag wasdag. Meerdere wassen draaide ik achter elkaar. Mijn knaloranje, onmisbare wasmand stond naast de wasmachine. Klaar om geleegd te worden, gretig voor schone was. Er kwam wat tussen. Een paar dagen, en nog wat. Ik staakte mijn was, liet het ding staan. De rest draaide de was gewoon door. Fijn dat-ie er nog staat, dacht ik nog, ik doe er zo een was in.

Fout. Diezelfde middag stond mijn wasmand pontificaal voor de trapdeur naar boven. ‘Wel verdomme,’ mompelde ik, maar ik wist wie het gedaan had. Het codewoord is chagrijnig en houdt een transformatie met Miep Moeilijk in. Het is ook typisch, want zelf doet ze alles keurig. Ruimt de prut van haar biologische mini-tomaatjes op, sopt na elke sportsessie haar hardloopschoenen en doet er volgens de regels van Biologie voor jou kranten in, slaapt met folie om haar wintertenen en zo heeft ze wel meer last van ongein. Ze heeft mijn wasmand boos uit de badkamer gehaald (waarschijnlijk omdat haar dalmatixebrsok erin terecht was gekomen), met een slinger voor de trapdeur gezet, als hint dat het ding bxf3ven hoorde,  een voor mij onbekend shirtje erin gegooid, en mijn witte, schxf3ne handdoeken erbij gedaan. Foutje: wit en gekleurd gaan niet samen. Schoon en vuil evenmin. Kan je alles, ben je zxf3 handig om cherrytomaatjes te snijden zxf3nder te knoeien, presteer je dit.
‘Ze was chagrijnig,’ hoorde ik na vraag om uitleg. Miep zelf was nergens te bekennen.

Dus schreef ik een briefje. Of de volgende keer gevraagd kan worden of ik mijn wasmand uit de badkamer wil halen. Dat ik er niet van houd dat er ongevraagd met zulke spullen wordt omgegaan. Een goede optie is dus communicatie. Bedankt.
Of eigenlijk: wees gewaarschuwd. Een tupperwareparty met champignonnen-houdbaarheidstupper of een cherry-keeping-red-tomatobox is zxf3 geregeld.


By on 22:14
‘Nxf3h!’

Dus ik sta daar een beetje schaapachtig voor me uit te staren, tik mijn studentnummer in en mijn belachelijke paswoord.  ‘Noh,’ zucht ik, en zij lacht. ‘Dat woord ken ik nog uit Hoorn, man!’ Ik knik. Weet ik, en ‘noh’ is verschrikkelijk, maar als je het zegt in een gigantische lachbui of een onoverkomelijke, onverwachte situatie, wordt het wiggerige ontnomen.

Ze belde met de vraag of ik dat ene cijfer al terug had. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘dat zie ik van de zomer wel. Nu niet!’ Ik lachte het weg, concentreerde me weer op mijn hertentamen, maar toen ik gedwongen werd naar de blauw-met-witte site te surfen, moest ik wel. Onoverkomelijk dus. ‘Noh.’ Tik, tik. Klik. ‘Nxf3xf3xf3xf3h!’

Twee tentamens gehaald.  Twee zessen, rond. Bijna mijn BSA.

28 June 2006
By on 14:41

Ze zijn vaak binnen, als ik de achterpoort open doe. Ik zie het al als ik langs het raam loop, door de tuin. Een polo en bruin haar, en hier en daar wat grijs. Ik glimlach. Van boven hoor ik geroep: ‘Fleuri!’ De tuindeur staat open, er staat nog een fles rosxe9 en een glas ijsthee op tafel.  Op de ligstoelen liggen kussens, daarnaast een houten tafeltje met een boek erop. ‘De Winter’, gok ik. Vaak heb ik het goed.

Over mijn studie. Over wat er allemaal voor bijzonders is gebeurd. Nog geen vijf minuten later komt ze van de trap af stormen. ‘Ik heb je lang niet gezien!’ roept ze dan, en omhelst me. Even bedenk ik me dan hoe lang ‘lang niet gezien’ is, en concludeer dat ze gelijk heeft. ‘Ik heb je gemist,’ zeg ik vaak, en bekijk haar nog eens goed. ‘Weer een nieuw truitje,’ lach ik, en dan knikt ze.

In die twee dagen zie ik nog een nieuwe riem, nieuwe schoenen, o, nee, mijn schoenen en een haarband voorbij komen. Onder het mom van: ‘Mijn zus is toch in Leiden, en daar maak ik goed gebruik van,’ doe ik het omgekeerde: ‘Soof heeft toch dezelfde maat, ik woon in Leiden, dus kan ze hem wel even missen.’ Fout. Mag ik in Leiden wonen, en Sophie nog altijd in Rotterdam, er is zoiets als mobiele communicatie. Soms verzucht ik het dus, want je wordt overal van verdacht. Telefoon. Mam. ‘Hoi!’ roep ik uitgelaten, waarop zij weer ‘Fleuri!’ terug roept, maar dan komt het. Of ik de hagelslag mee naar Leiden heb genomen. Dat ‘papa gek wordt, niet omdat hij de hagelslag niet kan missen, maar aan zichzelf begint te twijfelen. Hij heeft vorige week een pak gekocht en dat is weg. Hij vraagt zich af of-ie zelf niet gek geworden is, vandaar.’ Op de achtergrond hoor ik mijn vader. Ik weet dat zijn ogen vragend naar het luidsprekertje van de telefoon kijken, en dat hij daarbij stil staat totdat mijn moeder het bevestigt. ‘Nee,’ zegt mijn moeder dan. Dan perst hij zijn lippen wat op elkaar, vervolgens komt het denkmoment: hij bijt op het puntje van zijn tong. Net zoals in de gevallen waarbij ik vraag of hij badzout over heeft. ‘Ja’, peinst hij dan, ‘ja, dat heb jij me ooit gegeven voor vaderdag, dacht ik.’

Maar goed, geen hagelslag. En nee, ook jouw ketting niet, mam, die heb ik teruggeven. Ja, wel Soofs rokje. Die groene, uit Italixeb. ‘Hij is alleen wat verkreukt,’ zeg ik schuldbewust.
Als ik weer naar huis ga en haar het zwierige ding overhandig, lacht ze en drukt ze een kus op mijn wang.

‘Zeg,’ begin ik, ‘is die hagelslag terecht?’ ‘Ja,’ antwoordt mijn moeder alsof ze het allang vergeten is, ‘Sophie ging vorige week film kijken met een vriendinnetje en besloot dat ze zin had in chocola.’ Ik zucht, lach.

Alles mag kwijtraken, voor queestes zorgen, lachbuien, zotheid in die zin dat je jezelf absoluut en terecht afvraagt of je nu gek geworden bent of niet. Als dit maar blijft.

24 June 2006
By on 20:53
Kxe8kke schoenen

Ik weet direct hoe laat het is als ik ‘s middags na een korte pauze, waarin ik twee krentenbollen door m’n strot duwde en een rol pepermunt deelde met mijn studiegenoot, terugloop naar de studiezaal Spaans. Beiden zijn we tot de conclusie gekomen dat studeren in de zaal voor Nederlands niet werkt. Het is er te licht, het stinkt soms wat naar te veel Boutens, Hooft en Bilderdijk, en hoewel we literatuur zeer waarderen, hoeven we er niet altijd met onze neuzen bovenop. Vandaar dat we kiezen voor de studiezaal Spaans, met een leeslampje in de ietwat donkerdere zaal. Of er xfcberhaupt neerlandici in de  zaal voor Nederlands zitten? Ja. Stiekem denken zij af en toe hetzelfde.  Daarom zitten ze met hun gezicht, als ze niet tegen het vele licht kunnen, tussen twee houten schermpjes, die dan bevestigd zijn op de leestafel. Heb je een beetje je eigen hok. Je hoofd is onzichtbaar. Ik merk ze echter wel op als ik de studiezaal Nederlands door loop. Twee benen en voor mij twee bekende schoenen. In alle vormen, maten, maar zo herkenbaar. Als het zilveren gaatjesschoenen zijn, dan is het Ra. Geen twijfel over mogelijk. We hebben ook iemand met lang haar, met daarin twee staarten. Of knotten, knoedels, vlechten. Je kunt naar haar schoenen kijken, maar de twee kwastjes van onderaan haar staart zijn ook voldoende. ‘Lidewei,’ knik ik dan, en we glimlachen.

Deze keer zaten ze er niet, van ons jaar. Een beetje beteuterd, en met nog een kwart rol aan pepermunt in mijn achterzak, liep ik naar het gedeelte Spaans. Naast me liep Eva, zuchtend, ook kauwend op pepermunt. ‘Sukkel,’ had ze daarvoor nog gezegd, knikkend naar een jongen die zondermeer Minerva verblijdde met zijn zogenaamd ‘strakke stylo.’ We lopen door, al blijk ik bijna haken aan de misprijzende blik van een Minerva-meisje. Met zo’n met dons opgevuld jasje in haar kluis beneden, en de naam van haar jaarclub erop geborduurd. Ze kijkt me aan met een ‘heb-je-wat’-blik. (Ja, die gifgroene riem is xf3xe9rlelijk, maar als-ie past bij je jaarclubjas, vooral dragen.) Ik passeer haar, en hoop even vurig dat haar knalgele marker, precies gesitueerd op de hoek van haar tafel, op haar witte schoentjes terecht komt, als ze hem er met haar grote elleboog per ongeluk af stoot.

Als we het gedeelte voor Spaans in lopen, begint ze. Ik grinnik. ‘Zeg het!’ Ze zucht. Lacht een beetje vilein. ‘Ze denken zeker dat we achterlijk zijn. Daar in de muur zit een rxe1xe1m en dat spiegelt, dus zie ik precies wie er zogenaamd niet kijken. Die stomme wijven ook.’ Ik wil wat terugzeggen, kijk even om het raam op te sporen, maar mijn oor laat mijn hoofd eerder naar de zaal keren. Er valt iets.

21 June 2006
By on 19:46
Verzuip-praktijken

Ik vrolijk de boel maar op met stomme grappen, door  openingszinnen voor Neerlandici te bedenken, terwijl ik leer van mijn aantekeningen. Ik baal. Ik baal behoorlijk. Waarom wil ik zo graag, waarom weet ik dat ik het kan, waarom wil ik wel leren, maar lukt het niet?

Ik heb er lang over gedaan om nu eens een probleem te erkennen. ‘Hoe gaat het met je studie?’ ‘Goed!’ Helemaal niet. Ik voel me stom. Dat wat ik juist zo liefheb, glipt even weg, lijkt soms onbereikbaar, terwijl ik weet dat het wel te pakken is. Stomme gedachten als ‘mijn lemma’s schieten door elkaar’, zijn nu ongepast. Ja, de hersenen heb ik, het loopt alleen niet structureel. Ik weet wel wat er gedacht wordt. ‘Je moet eerder beginnen, beter je best doen, minder opstaan van je leestafel om wat te gaan drinken, eerder opstaan, niet zo lui zijn, doen wat je je jezelf belooft.’

Die woorden neem ik tot mij. Ik verzuip er alleen in. Ik voel me leeg, ik probeer het, maar mijn concentratie is allesbehalve in mijn hoofd. ‘Ik ga niet, niet, ik herhaal, niet, nee, nooit op gesprek als ik een negatief studieadvies krijg. Ik vertik het. Straks praat ze me van mijn opleiding af.’ Ik heb geen problemen, ik doe het heel goed. Helemaal niet. Ik geloof dat ik wel degelijk een probleem heb, en dat dat niet aan mij, maar bij mij ligt.

Ik zie het staan, recht voor me. Mailadres. Spreekuren. ‘Ik ben er niet alleen om je achter je kont aan te lopen omdat je slechte punten haalt. Ik ben er ook voor de oorzaak.’

Ik geloof dat ik wel weet wat me te doen staat.

19 June 2006
By on 14:43
Wortels

Haar vader had haar gisteren gebeld. Het gesprek ging niet over groente. Meestal was het geen gedoe over de schijf van vijf, als er maar een molecuul aan groen te vinden was. Als zij dan antwoordde dat ze geen zin had in groenvoer, of dat wat erop leek, of juist, dat ze wxe9l een brocolli-achtige substantie verorberd had, klonk het opgeluchte ‘nou, neem een neut’. Omdat hij niet verder wilde zeuren. Ze vergeleek het met het ‘geeft-niks’ gebaar, als haar vader met zijn hand over haar haar ging, en aan haar staart trok. Boos, met twee gefronste wenkbrauwen en een armslag, haalde ze zijn hand van haar hoofd, al was de beweging kort. ‘M’n sta-haart,’ bromde ze dan. Haar vader zei niets, glimlachte en keek nog even hoe ze, toen al, in galop naar de spiegel rende om haar paardenstaart op verzakking te controleren.

Hoe ze zich voelde. Dat ze niet meer zo’n vrolijke indruk maakte, en of het daar, waar alles gebeurt, waar ze leeft, beleeft, en alles opneemt, allemaal wel goed ging. Haar glimlach, toen ze dacht dat hij over vitaminen zou beginnen, verdween en maakte plaats voor een trillende onderlip. Stotterend verwoordde ze hoe ze zich voelde, zichzelf ervan overtuigend dat ‘het heus wel weer over zou gaan’. Ze wist dat haar vader zijn hoofd schudde aan de andere kant van de lijn. Dat hij, als het zou moeten, haar zou komen halen. Maar ze wilde het niet. Niet toegeven aan iets, waardoor ze zich zwak voelde, niet, niet antwoorden op gevoelens die niet alleen haar, maar ook anderen, door middel van haar eventuele uitlatingen,  vervuilden. Of tenminste, hun humeur. Want dat was haar fout, of niet, of was het haar karakter, en was dat simpel recht te breien met een ‘zo ben ik nu eenmaal’ ? Wxe1s het fout? Of was het haar angst, om te verwoorden wat ze voelde? Een idee van falen, van zeuren, van aanstellen. Angst. Dat iedereen het goed deed, of zou doen, in haar geval. Dat ze zou kunnen koken, dat ze niet zeurde over het husselen van pasta met pesto, dat ze de vlam van de kaars eens aan hield, in plaats van rigoureus uit te blazen, en vooral, dat ze eens zou doen zoals het hoorde.

Maar zo hoorde het niet. Zo hoorde zij niet.

De geur van verantwoord eten drong vanaf de benedentrap haar kamer binnen. ‘Wortels,’ concludeerde ze, en toen haar vader vroeg, enigzins verstoord in zijn raad, wat zij bedoelde, antwoordde ze: ‘Dxe1t, dxe1t bedoel ik, pap.’

14 June 2006
By on 17:25
De hoek om

‘Ik doe dit dus nooit meer!’ had hij geroepen, en de deur was achter hem dichtgeslagen. Het briefje naast de deur op de muur waaide bijna onder de punaise door. Het dient vast als kanttekening, had ze gedacht, en ze was de trap opgelopen, haar ogen rood en dik, en haar haar voor een deel aan haar gezicht plakkend. ‘Dit had wel een beter weekend kunnen worden,’ mompelde ze toen ze de keuken in  kwam. Haar huisgenoten keken haar aan. ‘Dit is niet goed, hxe8?’ Ze had haar schouders opgehaald, was naar haar kamer vertrokken, en had daarvoor nog getracht haar middelvinger op te steken. Naar de goudvissen. ‘Met jullie onnozele hersens,’ had ze willen roepen, maar ze deed het niet, omdat het krankzinnig zou staan. Liever had ze het geschreeuwd op de keukenvloer, naar haar huisgenoten wijzend, xe9xe9n voor xe9xe9n. Een rare, dringende behoefte, naar een onmogelijk gestalte. Die van tiran. Omdat alles het liefst weg moest. Omdat zij niet was wat zij wilde zijn, hij niet, wat ze wilde zien, zonder te besffen dat ze in een illusie leefde. Het altijd gegeven advies aan anderen, vrienden, vriendinnen, die mompelden over ‘dxe9 liefde’, had zij verteld dat het beter was op zoek te gaan naar ‘goed genoeg’. Perfectie zou niet werken, het streven zou oneindig zijn.

Haar kamer was leeg. Niet te vullen met alleen een gedaante die zijzelf voorstelde, nee, onherroepelijk stil, geen kalmte, absoluut lawaai, maar daarom doodstil om haar heen. Het kussen rook naar hem. Het glas met een laatste bodem aanmaak-limonade bewoog iets toen ze van woede in het glas spuwde, en deze met een klap weer op haar bureau zette. Haar blik naar buiten kwam niet verder dan een schreeuwende man met een motorboot. ‘Wil jij varen?!’ riep hij. Ze schudde haar hoofd. Nog eens, toen de man fronstte, wat zij opvatte als een ‘waarom niet?’.

Ze was het zat. Zij, met haar gezwets over onbelangrijke zaken. Over vierentwintig keer hetzelfde, en toch presteerde ze het continu anders te brengen. Het zou een drukke tijd worden, en vooral, een hele beschonken tijd. En daarbij, een hele dronken. Een roesige, een frivole, nee, xe1xe1ngeschoten, nee, zatte, ja, zxe1tte tijd. Het nam sommige dingen mee, het kon alles meenemen. Daarvoor namen sommige dingen hem mee. Niet vreselijk, maar soms, dan was xe9xe9n iets dat wat hij trachtte te zijn, en zij, zij niet. Versuft was ze wakker geworden uit een droom die met de tijd een korst om zich heen creexebrde. Liet creexebren. Steeds meer te scheiden van een werkelijkheid, waarin zij ook niet meer wilde leven. Niet zo.

Het viel. Die werkelijkheid, de pijnlijke realiteit, de droom, de fantasie, op een basis van woede en ongeloof, verdriet, onmacht, maar, zo bleek, alsnog op een bed van meer dan dat, dieper, heviger, roze gekleurd. ‘Snikjes en grimlachjes,’ maar dan de hardere versie. Ze lachte in zichzelf, beet even op haar lip, en rook de geur van onbereikbaarheid. Het pijnlijkste op een moment van zwakte, want het geeft meer woede, onmacht, een helse pijn, maar ook besef, voor als de realiteit nog altijd gescheiden kan zijn van dat wat je liever denkt, maar droomt.

Sommige dingen gaan nooit over. Ze keren terug, als een boomerang, maar soms, zo besefte ze, moet je de dingen laten zijn zoals ze waren, zijn, en ooit zullen worden. Deze overgang is niet uit te gummen, wellicht door te krassen, maar maakt dat het resultaat er mooier op? Met haar vinger gleed ze over het kozijn, de man in de boot uitzwaaiend.

De onbereikbaarheid, het eenzame gevoel, haar glimlach, haar hand door zijn haar, als hij dat wilde, en zijn soms mistroostige blik als hij op haar schouder leunde, omdat zijn realiteit, en nabijheid van voor hem werkelijke zaken hem te groot werden.

‘Dag lief,’ zegt ze, en ze knikt hem toe. Hij lacht, geeft haar een kushand nadat hij haar stevig tegen zich aantrok, en kijkt voor de laatste keer via de spiegel hoe ze in bed ligt. Zijn voetstappen op de trap, zijn tas die ze absoluut  achterop zijn rug hoort hangen, omdat deze steeds op de vorige tree terecht komt.
Ze drukt haar gezicht tegen het kussen, ruikt, proeft zijn geur, en hijst zichzelf aan haar ladenkast bij het raam omhoog. Nog even zien hoe hij fietst, en dan vergelijken hoe hij de volgende keer aan zal komen trappen. Ze ziet hem, wil hem roepen, naar hem zwaaien.

Maar hij gaat de hoek al om.

10 June 2006
By on 19:51
Wxe9xe9kend

Ik heb een weekend echt voor mezelf. Hier in Leiden, waar ik ‘s ochtends met mijn slippers over de onbetrouwbare stenen (‘was dat mijn hak?’) van de Hogewoerd loop, waarbij mijn linnen broek zachtjes over mijn benen aait, het haar vanwege de hitte al in een knot gestoken zit en het zware boek in mijn rugzak al vraagt om aandacht.

Het mag ook wel. Op dinsdag besteedde ik mijn tijd noodzakelijk en nogal paranoxefde aan een tentamen tekstanalyse. In een cafxe9 speculeerden we over wxe1t er toch bedoeld werd met ‘Het Tuinfeest’, en dat ‘zij elkander kusten.’ ‘Dronken, dat waren ze,’ besloot een studiegenoot, en we namen grote happen van onze tosti’s. Donderdag het rampen-tentamen. Niemand zei iets, maar de gezichten spraken boekdelen. Na dit tentamen heb ik officieel besloten niet op vakantie te gaan naar een warm land, ik denk dat ik mijn tijd beter kan besteden in Leidens grootschte tuin: De Hortus Botanicus. Met enkelen van mijn studie hebben we besloten daar unaniem vakantie te vieren.

En dan vrijdag. Schommelen is soms een bezigheid als ik mijn hoofd wil legen. Met mijn muziek, het hoofd op onweer en een flauwe glimlach als ik iemand tegen kom die ik dan wel moet begroeten, loop ik naar het Plantsoen, neem plaats op een schommel. Na een halfuur kom ik eraf, mijn wenkbrauwen voor mijn gevoel een meter in de lucht geschommeld, maar verlichting is er wel. (Misschien wel daardoor.) Deze keer echter, werd mijn revival-oefening bruut verstoord door een vrouw met knalrood haar, een vloekend paars shirt en teenslippers.  Ze schreeuwde me toe dat ik van die schommel af moest komen. Het ding zou mijn gewicht niet aan kunnen. Mijn linker neusvleugel begon te trillen, mijn tenen knakten, mijn handen hielden de touwen steviger beet. ‘Weet u wat het is,’ begon ik rustig terug, terwijl mijn bloed langzaam van mijn tenen naar mijn hoofd suisde, ‘er is helemaal geen probleem. Zelfs xfa zou nog op die schommel kunnen.’ Ze werd kwaad. O god, wat werd die kwaad. Ze hapte naar adem. ‘Ja, zwiep jij maar lekker verder! Een student met een gebroken nek. Fijn voor je!’ Ik sprong eraf, pakte mijn tas, keek haar even kort aan en zei dat ze zich er niet mee moest bemoeien. Mijn woede dreigde zich te ontaarden  in een gigantische lachstuip, en daarom zei ik maar niets vervelends meer. ‘Scheer je weg!’ brulde ze, ‘of ik laat je arresteren!’ ‘Prima! Doei!’ riep ik, en begon, toen ik de brug over was, onbedaarlijk hard te lachen.

Het weekend. Normaal xe1ltijd leuk, waar ik ook ben, maar nu is het ook heerlijk. Ik hoef even niets. Ik studeer op eigen tempo, geniet bij het vooruitzicht in toast met kaas en augurken, popcorn en chips, bruin brood met ei, pindakaas en wortels. Verse appels, muesli, en een boek dat bijna uitgelezen is.
Even de rotzooi van de afgelopen week opzij, verstand op nul en gaan. Met die banaan.


By on 16:04
Stress-boterham

Tentamens.

Een kwartier vooraf begint het. ‘Shit. Wat was dit voor verteller? Nee. Niet een ik-verteller. Heb jij dat blaadje voor me? Fuck, de verkeerde.’ Opgestaan, moe, misselijk van het slechte slapen. Om half twee sloot ik even mijn ogen, om half zes ging de wekker. ‘Kom op,’ spreek ik mezelf toe, ‘even doorbijten. Je moet er doorheen, over twee weken ben je klaar.’

Lak-gebouw, 10:00. Ze zucht en schuift aan, ik kijk op, mijn stencils schuddend, xe9xe9n exemplaar ervan opzij-leggend, die als ‘behandeld’ kan worden afgestempeld. Met mijn handen in het haar en kauwend op een uur oud kauwgumpje, bekijk ik de steekwoorden. Ik bijt op mijn lip. Waarom, denk ik bij mezelf, waarom moet dit nu altijd zxf3? Ik herinner me de insteekbladen. Ik zou alles gaan ordenen, en alles markeren. Uiteindelijk belandt alles op xe9xe9n hoop. ‘Heb je het boek gelezen?’ ‘Ja,’ mompel ik afwezig, ‘ja, helemaal.’ Dat dan weer wel. Ik heb ‘t af voordat ik een tentamen heb, gemarkeerd of niet, met of zonder gekleurde bladwijzertjes, waarvan de kleuren mij zouden moeten stimuleren er steeds eentje op te willen plakken. Maar dan, als de deur van de tentamenzaal open gaat, begint het.

‘Pen. Check. Papier. Ligt er al. Eten. Fuck. Boterham.’ Ik frummel het papier eraf. Bekijk mijn flesje water. Half vol. Optimistisch bekeken, wat moet je anders. Ik knak met mijn teen. ‘Coen, moet je zo frutselen met dat papier?’ Ze wijst op zijn sultana. ‘Kap eens.’ Naast me zit Kim, een beetje zenuwachtig, en dan wat sarcastisch. ‘Kim, blijf je zo ademen?’ Ik glimlach.

De docent spreekt ons toe. Hij heeft zo’n droge ‘g’. Ik krijg er trek van. In borrelnoten. De herhalingen, de ongrammaticale zinnen, de metaforen en zelfs een verdwaald stijlfiguur flitsen door mijn hoofd. De blaadjes komen langzaam omhoog. ‘Nee,’ zucht ik, ‘ik wil niet.’ Niemand reageert. De helft schrijft al, de andere helft wacht. Ik probeer iets hilarisch uit. Misschien komt er zo weer eens iemand die zegt dat we opgesloten zitten. Het gebeurt niet, en ik ontvang een stapel papieren.  Ik pak er een blad af, geef het door. Mijn ogen glijden over de zinnen. De kramp in mijn buik wordt even erger, maar verdwijnt snel, de adrenaline suist op een gezonde manier door mijn lijf. Als ik met Franse termen mag smijten vind ik het best. Niets beter dan ‘rime riche’, in plaats van glijdend rijm.

Ik schrijf mijn hand moe, kijk om me heen. Na afloop gaan we altijd iets drinken. Ik verlaat de zaal, kijk nog even om.
Bijna mijn boterham vergeten.

6 June 2006
By on 17:16